Cameratoezicht en privacywetgeving, hoe zit dat?

Privacyrecht

4 maart 2019
door Tine Notenboom

Camerabeelden vallen onder de Algemene Verordening Persoonsgegevens omdat sprake is van persoonsgegevens die worden verwerkt. Voor iedere verwerking van persoonsgegevens is een grondslag nodig. Voor cameratoezicht is de grondslag “een gerechtvaardigd belang”.

Een werkgever moet een gerechtvaardigd belang hebben voor het cameratoezicht. Dit kan bijvoorbeeld zijn het tegengaan van diefstal of het beschermen van werknemers en bezoekers.

Heimelijk cameratoezicht is over het algemeen niet toegestaan, alleen onder zeer bijzondere omstandigheden als alle andere maatregelen geen effect hebben.

Het doel van cameratoezicht mag niet op een andere minder vergaande wijze kunnen worden verwezenlijkt. Dit betekent dat het  cameratoezicht ter beveiliging alleen mag worden ingezet indien er ook andere beveiligingsmaatregelen zijn getroffen. Minder vergaande beveiligingsmaatregelen moeten onvoldoende effectief zijn en deze maatregelen kunnen ook niet worden uitgebreid. Het cameratoezicht moet dus onderdeel zijn van een totaalpakket aan maatregelen. Ook mogen er niet meer en langer camera’s worden ingezet en niet meer personen en/of plaatsen in beeld worden gebracht dan strikt noodzakelijk is voor het gestelde doel. Dit betekent dat de werkgever alleen continu cameratoezicht mag instellen wanneer niet kan worden volstaan met opnames gedurende bepaalde periodes.

Een werkgever ervoor zorgen dat de inbreuk op de privacy zo klein mogelijk is bijvoorbeeld door te zorgen dat de camera’s niet op de werkplekken van het personeel gericht zijn. Verder mag de camera geen geluidsopnamen maken. Dit is namelijk, meestal, voor het doel niet nodig.

Cameratoezicht in bijvoorbeeld een toilet, pashokje, kleedkamer of behandelruimte maakt

een te grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen en is daarmee niet toegestaan. Verder geldt dat het plaatsen van camerabeelden op internet vaak niet nodig is omdat de beelden daarmee voor iedereen toegankelijk zijn.  

Verder is van belang dat werknemers en bezoekers weten dat er een camera hangt en voor welk doel deze er hangt, bijvoorbeeld door bordjes op te hangen.

De camerabeelden mogen ook niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is. De richtlijn hiervoor is maximaal 4 weken. Wanneer er een incident is vastgelegd zoals diefstal dan mag de werkgever de betreffende beelden bewaren tot dit incident is afgehandeld. Het niet naleven van deze termijnen kan er toe leiden dat de Autoriteit Persoonsgegevens boetes aan een bedrijf oplegt.

Kortom bij het ophangen van camera’s moet goed worden nagedacht over het doel ervan en moeten maatregelen worden genomen om de inbreuk op de privacy van de betrokken werknemers en bezoekers zo veel mogelijk te beperken.

Aanmelden voor nieuwsbrief
Contact

Veerkade 5D
3016 DE  Rotterdam

010-466 23 33
info@bwadvocaten.nl